De klassieke yoga-oefeningen uit de hattha-yoga
werden door Heinz Grill omgevormd
tot een kunstzinnig-esthetische en spirituele
oefenwijze. Ze vormen op die manier een
praktisch werkgebied voor het bewustzijn,
waarbij het lichaam het instrument
of het kunstzinnig uitdrukkingsmiddel is.
De oefeningen worden hierbij niet zozeer beoefend
om een evenwichtigheid en
stimulering in de energetische stromen te
bewerkstelligen en om de energiebanen te
zuiveren, zoals in de klassieke systemen,
of ook om in een energetische of
spirituele ervaring op te gaan. Verder wordt
er ook geen specifieke ademtechniek
gebruikt, maar wordt het principe van de vrije
ademhaling gehanteerd.
De opzet van de yoga-oefening ligt in de eigen
bewustzijnsactivering, waarbij het
denken, het voelen en de wil ontwikkeld worden,
en met zielsgeestelijke
elementen langzaam doordrongen worden.
Normaal gezien wordt via de lichaamshouding
en via de ademtechniek een invloed
uitgeoefend op de energetische stromen en
de chakra's, wat dan op haar beurt een
positieve bevrijdende uitwerking heeft op
de bewustzijnsgesteldheid. Bij deze nieuwe
kunstzinnige oefeningswijze ligt het vertrektpunt
niet in het lichaam met haar energieën,
maar in het bewustzijn zelf. Door het bewustzijn
te ordenen en vanuit het bewustzijn
scheppend-actief de oefening vorm te geven,
zullen de ademhaling en de energieën
uiteindelijk indirect een heilzame en harmoniserende
invloed ervaren.
De oefening verkrijgt op die manier het
karakter van een bewustzijns- of zielsoefening
in plaats van een lichaamlijk-energetische
oefening. Het lichaam wordt dan het
instrument waarmee gewerkt wordt en is niet
het voertuig of middel om iets te bereiken.
Het bewustzijn, dat bestaat uit het denken,
het voelen en de wil, is dus het vertrekpunt
van deze yoga-oefenwijze. En het bewustzijn
is het instrument waarmee we ons enerzijds
tot de fysieke dimensie en ons anderszijds
tot een spirituele dimensie kunnen richten.
Het neemt als het ware een middenpositie in
tussen boven en onder.
Dit bewustzijn wordt in deze oefeningswijze
zoveel mogelijk onder de wijze wakkere
leiding van het ik gebracht. De gedachten
en gevoelens kunnen namelijk, zoals dit veelal
het geval is, hun vrije loop gaan en autonoom
opflitsen of ze kunnen onder de wakkere
controle en sturing van het ik gebracht worden
en van daaruit in een bepaalde
richting geleid worden.
Het is hier dus niet de bedoeling dat het gedachtenproces
in de oefening tot stilstand
gebracht wordt, zodat er als het ware geen
gedachten meer voordoen, maar wel de
gedachte bewust gedacht en gestuurd wordt.
Een losmaking van storende gedachten of
spanning en onrust in het denken is enkel
een eerste stap in het concentratieproces.
De beoefenaar blijft echter niet in deze nog
lege toestand. Na het loslaten volgt direct
een zeer bewuste gedachtenactivering of het
bewust scheppend denken van bepaalde
voorgenomen gedachten. Deze bewustzijnsactivering
of actief in relatie treden met de
oefening is een zeer typisch kenmerk van deze
yoga-oefenwijze. En deze bewustzijns-
activering leidt uiteindelijk tot een ik-vesterking
of ik-wording.
Bewustzijnsactivering en ik-wording
Wanneer het denken nu bijvoorbeeld opgeven
of losgelaten wordt, gaat dit ook
altijd gepaard met een opgeven van het eigen
ik. In dit ik-loos worden, worden we
dan vervolgens sensibeler voor bepaalde energetische
of kosmische stromen van
buitenaf. Er wordt dus vorm van doorlaatbaarheid
bereikt.
Indien net andersom een gedachte scheppend
gevat wordt in het leven of in een
yoga-oefening, leidt dit tot een ik-wording
of een sterker ik-beleven. We zijn dan
niet meer doorlaatbaar voor energieën
en atmosferen buiten ons, maar zijn eerder
beschermd. We ontwikkelen vanuit deze gedachte
een bepaalde kracht waardoor
de eigen lichaamsenergieën geordend,
gesterkt en verlevendigd worden.
Dit is een zeer interessante basisgedachte
voor de yoga-praktijk.
Vroeger was het de bedoeling het ik-besef
of beleven los te laten en op te gaan
in een al-besef of eenheidservaring. Daarom
werd het eigen denken losgelaten
of tot een soort stilstand gebracht. Heden
ten dage is het meer aangewezen
om onze individualiteit op te bouwen en bewust
in relatie te treden met
de verschillende dimensies van het leven.
Om dit te doen moeten we het
denken scheppend-actief vorm geven en ontwikkelen.
De ontwikkeling van het gewaarwordingsleven
Het is natuurlijk niet te bedoeling alleen
maar het denken te activeren en in goede
banen te leiden. Verder is het van belang
tot fijnere gewaarwordingen te komen.
Het ontwikkelen van een scheppend gedachtenleven
wil niet zeggen zogenaamd
gevoelsloos te worden, want het leidt tot
een rijker en vrijer gevoelsleven.
In de oefeningspraktijk is het wel niet de
bedoeling om op te gaan in de eigen
subjectieve lichaamsgevoelens, maar zich veeleer
daarvan los te maken en een
gewaarwording te ontwikkelen omtrent een specifiek
aspect van de oefening.
We kunnen ons dus laten opgaan in de gevoelens
die ontstaan door het uitvoeren
van een bepaalde lichaamshouding of daar tegenover
proberen een realistische
creatieve gewaarwording te ontwikkelen tegenover
een aspect van de oefening. Indien
een bepaalde yogahouding aangenomen wordt
zonder actief gedachteproces, dan werkt
deze houding op het energetisch stromen en
de adem, waardoor dan een bepaalde
gevoelservaring ontstaat. Dat gevoel ontstaat
door het aannemen van een bepaalde
houding, die een verandering teweeg brengt
op energetisch vlak.
De meeste gevoelens in het dagelijkse leven
doen zich voor vanuit het lichaam,
in de zin dat ons lichaam op een bepaalde
manier op iets resoneert en dit vanuit
het onbewuste een bepaalde gevoelsopwelling
tot stand brengt.
In de zin van het worden van een vrijere en
rijkere persoonlijkheid, alsook op
gezondheidsvlak en voor het instandhouden
van de levenskrachten is het van
belang het gewaarwordingsleven onafhankelijk
van de eigen subjectieve
lichaamsgevoelens op een creatieve manier
te ontwikkelen.
Hoe ziet dit er praktisch uit
in de yoga-oefeningen?
- een voorbeeld: De cirkel van
het hart -
Indien we nu een cirkel vormen met de handen
kunnen we dit op verschillende manieren
doen. We kunnen bijvoorbeeld de ogen sluiten
en met de handen een cirkel in de ruimte
beschrijven en de gevoelens die hierbij ontstaan
hun gang laten gaan en in de gevoelens
die ontstaan als het ware opgaan. Dan doen
we oefening zonder bewuste gedachte
en laten de beweging eerder op ons werken
of gaan er in op. Het gevoel die hier ontstaat
welt op vanuit het lichaamlijk-energetische
en palmt ons bewustzijn als het ware in.
We zullen bij een zorgvuldige overweging bemerken
dat we onszelf eerder verliezen.
Wanneer we de oefening nu vanuit een actieve
bewustzijnsvorming uitvoeren en niet zozeer
het lichamelijk-energetische haar werk laten
doen, komen we tot een ander resultaat. Indien
we nu de cirkel vooreerst eens denken of ons
voorstellen en hierbij zelf de ogen rustig
geopend houden en dan vanuit deze voorstelling
de cirkel in de ruimte tekenen wordt de
oefening anders. We stellen ons de cirkel
vanuit een ontspannen en rustige voorstelling
voor en strijken dan met de handpalmen aan
de rand van de cirkel naar omlaag en
vervolgens weer omhoog, en zo verder. Dan
hebben we eerst een concrete gedachte
waarmee we cirkel uitvoeren en vorm geven.
Van daaruit ontwikkelt er zich vervolgens
geleidelijk aan meer en meer een duidelijke
gewaarwording van de cirkel. Deze
gewaarwording is helemaal anders, ze is geen
opwelling vanuit het lichaam, maar we beleven
nu werkelijk objectief de cirkel die voor
ons in de ruimte ontstaat. En verder bemerken we
dat we onszelf tegenover de cirkel die voor
ons in de ruimte ontstaat als individu beleven.
We verliezen onszelf niet.
De yoga-oefening als werkgebied
om spirituele gedachten te leren kennen,
om te zetten of esthetisch uit
te drukken en te individualiseren
Een verder essentiële element van de yoga-praktijk
is dat de oefening een concreet
werkgebied is om spirituele of zielsgeestelijke
samenhangen te doorgronden,
in de yoga-oefening tot uitdrukking te brengen
en te individualiseren.
De oefening dient wel niet om het spirituele
of een spirituele ervaring door middel van een
bepaalde oefening of techniek te bereiken.
Maar net omgekeerd om het spirituele naar
beneden te halen en tot in het eigen denken
en voelen, en verder tot in het fysieke of in de
handeling tot uitdrukking te brengen. Dit
beschrijft Heinz Grill
als de weg van boven naar beneden.
Heinz Grill schreef rond alle oefeningen zogenaamde
imaginaties of zielsgeestelijke
samenhangen die de diepere dimensie van de
oefening in een beeld beschrijven. Deze
gedachten dienen nu niet om als een dogma
aangenomen te worden, maar ze geven veeleer
een mogelijkheid om een dieper gedachtegoed
te doorgronden en zelf eigen te maken.
Heinz Grill beklemtoont hier dat het niet
de bedoeling is deze gedachten passief op te nemen,
maar veel meer actief tegemoet te schrijden
en zelfstandig te door denken, zelf ook gewaar
te worden of zelf te willen als een eigen
geestelijk ideaal.
Indien we nu deze imaginaties rond de oefening
als vertrekpunt nemen in plaats van hetgeen
we zelf aan gedachten en gevoelens in ons
dragen, dan beginnen we de oefening vanuit een
ongekende objectievere dimensie. We lezen
bijvoorbeeld de zielsgeestelijke samenhang
van een oefening en gaan er over nazinnen.
Geleidelijk aan vormen we ons een voorstelling
rond de samenhang en beoefenen vanuit deze
voorstelling de yoga-oefening. We behouden
deze voorstelling stil in gedachten in de
statische fase van de oefening. Dan zal dit
geleidelijk aan ook doorwerken op ons gewaarwordingsleven.
We zullen volgens hetgeen
we in de oefening denken ook een bepaalde
gewaarwording ontwikkelen. En in een verder
stadium zal deze gedachte niet alleen doorwerken
tot in het voelen, maar ook tot in de handeling,
zodat de gedachte zich ook geleidelijk aan
uitdrukt in de betreffende oefening. Dit betekent een
scheppende doordringing van een aanvankelijk
buiten ons staande spirituele gedachte, die dan
inwerkt tot in het gevoelsleven waardoor er
een nieuwe gewaarwording ontwaakt en verder
uiteindelijk tot in het fysieke op een esthetische
manier tot uitdrukking komt.
Voorbeelden van imaginaties uit
het boek
'de zielsdimensie van de yoga'
van Heinz Grill
De hoofd-kniehouding
Het beeld en de betekenis van de oefening
Deze heel belangrijke basishouding van de hattha-yoga
beschrijft ten eerste het grens-overschrijden,
het verruimen van de persoonlijke mogelijkheden
in de zin van een wilsmatige activiteitsprestatie, en verder
wijst ze op de innerlijke betekenis van het geduldig
werken en volhardend in-relatie-treden met de aardse materie.
De beoefenaar geeft zich enerzijds wijd en uitgestrekt,
en anderzijds ook diep en vaardig over aan de gesloten
vorm van de beweging. Het is het zielsbeeld van
het in-de-materie-naar-binnen gaan, het diep geraakt
worden van de ziel door de vorm van het aardse.
Volgens een eerder oppervlakkige beschouwing van
het bewegingsspel kan men menen dat dit wijde, grensoverschrijdende
voorwaarts buigen een gebaar van deemoed voorstelt.
Het gaat hier echter minder om het religieuze gebaar van deemoed,
maar veeleer om het daadwerkelijke actieve, vormgevende
zich-naar-de-materie toewenden en zelfs om het moedig
naar-binnen-gaan in de spanningen en in de onaangename
omstandigheden, die de materie biedt.
De houding is daarom één van de
actiefste die de yoga kent. Ze is met werk, inzet en uithouding verbonden.
Het gewaarworden, diep in de aarde, in het leven,
in de realiteiten met de eigen scheppende kracht binnen-te-dringen,
is het zinnebeeld van de oefening.
De boom
Het beeld en de betekenis van de oefening
In tadasana staat de beoefenaar balancerend op
één been en buigt het andere in de halve lotus naar
de liesplooi.
Hij is opgericht met opgeheven hoofd en ervaart
zich ook in deze houding van het opgericht- zijn. De ogen zijn
gedurende de oefening geopend en houden waakzaam
de controle over het evenwicht. De oefening beschrijft
het ik-gevoel van de mens, dat juist door het
opgericht-zijn in de houding bestaat. Het is echter geen vaste, statische
of onwankelbare stand, het is een stand, die
voortdurend door de controle tegenover de buitenwereld in evenwicht
moet worden gehouden. De beoefenaar zou gedurende
de oefening niet in een dromen mogen verzinken, hij mag
de ogen niet sluiten, hij moet in wakkere controle
blijven tegenover de ruimtelijke verhoudingen. Het ik is in zijn
uitoefenende functie werkzaam, wanneer de beoefenaar
binnenin zijn relationele verhoudingen waakzaam, controlerend
en corrigerend blijft. De ervaring van deze actieve
taakuitvoering van het ik is de betekenis van de oefening.
Tegelijk ervaart de beoefenaar de zins-betekenis
op zielsvlak van een eerste eenvoudige concentratie. De zintuigen dwalen
in het gewone dagdagelijkse bewustzijn ongecontroleerd,
springend, inhoudsloos, als verloren langs de objecten
van de buitenwereld heen. Door deze oppervlakkige
dagelijkse toestand van de aandacht ervaart men de waarde van het
zelfstandig in-relatie-treden tot de wereld niet
meer. Deze algemene toestand wordt door de uitgespreide armen in de
voorfase van de oefening voorgesteld. Uiteindelijk
vormt het bewustzijn zich echter gecentreerder, het lichaam behoudt het
evenwicht en de armen vouwen zich als een gebaar
van verzameling en bewustheid naar het midden.